woensdag 11 november 2009
Please welcome the first president of the European Union
Naar goede Europese traditie is Montesquieu’s scheiding der machten te vinden in de Europese structuren. We zullen ons hier beperken tot de wetgevende en uitvoerende macht.
Qua bekendheid wordt de Europese Commissie vaak op een eerste plaats gezet, niet in het minst omdat ze het dagelijkse bestuur waarneemt en dus het gezicht is van de Europese Unie. Vergelijk het met wat de federale regering voor België en de Vlaamse regering voor Vlaanderen is. Barroso is dan ook de meest zichtbare figuur als het over de Europese Unie gaat.
Vanuit democratisch standpunt zou het Europees Parlement de belangrijkste Europese instelling kunnen genoemd worden, want daar zitten de “verkozenen van het volk”. Doordat het Europese Parlement aanvankelijk slechts een beperkte (vnl. adviserende) functie had is er steeds sprake geweest van een groot democratisch tekort. Op wetgevend vlak is ze immers lang de mindere geweest van de Raad van de Europese Unie (ook wel Raad van Ministers genoemd), die een veel beslissendere rol had bij de totstandkoming van Europese regelgeving. Het Europees Parlement krijgt, met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, een prominentere rol in de besluitvormingsprocedure dan voorheen. Voor bijvoorbeeld de structuurfondsen zoals het ESF (Europees Sociaal Fonds) en het EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) heeft het Europees Parlement een medebeslissingsrecht en staat het daarmee op gelijke voet als de Raad van de Europese Unie.
De Raad van de Europese Unie wordt op de site van de Europese Unie aangeduid als “het belangrijkste besluitvormingsorgaan”. Die Raad van de Europese Unie mag niet verward worden met de Europese Raad die de bijeenkomst is van de regeringsleiders van de 27 EU-lidstaten en de voorzitter van de Europese Commissie. Het is een echt politiek orgaan dat tot doel heeft de politieke richting van de Europese Integratie te bepalen. De Europese Raad is op dit moment nog geen officiële instelling van de Europese Unie. Ze treedt zelf niet op in Europese besluitvormingsprocedures, tenzij dat ze de vorm aanneemt van een Intergouvernementele Conferentie om de EU-verdragen aan te passen
Wanneer de media het de laatste dagen hebben over de aanstelling van de eerste Europese president, dan heeft ze het over de voorzitter van die Europese Raad. De Europese Raad zal, vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, wél een officiële instelling van de Europese Unie zijn.
De functie van president heeft een ambtstermijn van 2,5 jaar. De president “leidt en stimuleert de werkzaamheden van de Europese Raad", “zorgt voor de voorbereiding en de continuïteit van de werkzaamheden van de Europese Raad” en zorgt “op zijn niveau en in zijn hoedanigheid voor de externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen”.
maandag 2 november 2009
Daar zijn de beleidsnota’s …
De beleidsnota’s voor de regeerperiode 2009-2014 zijn er. Voor “overheid en economie” zijn vooral de beleidsnota’s economie, economisch overheidsinstrumentarium en sociale economie van betekenis. Uiteraard is het goed om deze samen te lezen met andere beleidsnota’s zoals deze uit de zogenaamde “horizontale beleidsdomeinen” met betrekking tot het algemeen regeringsbeleid, financiën en begroting en bestuurszaken.
De 5 strategische doelstellingen die in de beleidsnota economie naar voor worden geschoven zijn:
- Bedrijven door de crisis helpen
- Meer en sterker ondernemerschap
- Een meer groene economie
- Meer groeiende ondernemingen
- Een meer innovatieve en kennisintensieve economie
De beleidsnota economisch overheidsinstrumentarium is heel wat minder dik (21 blz.) dan de beleidsnota economie (54 blz.). Het is wel duidelijk dat de bestaande instrumenten (PMV, LRM,…) in hun rol bevestigd worden en zelfs versterkt.
Hoe men met de Vlaamse energiemaatschappij de beoogde concurrentiële omgeving met competitieve prijzen voor consumenten en bedrijven blijft voorlopig nogal wazig. Volgende maatregelen worden vermeld: nemen van strategische participaties, investeren en participeren in innovatieve energieprojecten, deelnemen aan internationale klimaatprojecten om Kyoto-eenheden te verwerven en energie-efficiëntieprojecten in Vlaamse overheidsgebouwen.
De beleidsnota sociale economie focust op:
- meer werk op maat van mensen inschakelen van kansengroepen bij maatschappelijke diensten
- het creëren van duurzame jobs door het realiseren van doorstroming
- de verdere uitbouw van het ondersteuningsbeleid voor de sociale economie
- het ontwikkelen van een kwaliteitskader voor de organisaties binnen de sociale economie
- een pioniersrol in maatschappelijk verantwoord ondernemerschap
In mijn vorig artikel had ik reeds gewezen op het snoeiwerk dat nodig zal zijn aan de uitgavenkant.
Besparingen zullen voor een groot deel moeten komen van efficiënter werken. Inefficiënties (overlappingen in bevoegdheden, koppelsubsidiëringen, … ) wil de regering wegwerken. In de beleidsnota binnenlands bestuur is deze optie duidelijk in beeld. Als één van de strategische doelstellingen wordt er “Een volwaardig partnerschap over de grenzen van beleidsdomeinen en bestuursniveaus heen” naar voor geschoven. Ook wordt in de nota gesteld: “Het is een vaak gehoorde, en terechte klacht, dat de verschillende beleidsdomeinen afzonderlijk handelen vanuit een eigen interne logica zonder voldoende rekening te houden met de aansluiting van hun processen op die van de andere beleidsdomeinen of beleidsniveaus”. Ook de problematiek van koppelsubsidiëring wordt in die nota onder de loep genomen.
Van meet af aan rekening houden met het bestaan van andere beleidsniveaus en beleidsdomeinen zou een normale gezonde reflex moeten zijn.
Als een financiering door één overheid kan afgewikkeld worden, moeten er geen drie overheden voor een aparte subsidieregeling zorgen. In het laatste geval is dat immers driemaal voorbereidend werk, driemaal subsidiebesluiten opstellen, driemaal het dossier opvolgen, en (bij gebrek aan afstemming tussen de betrokken overheidsorganen) ook driemaal controleren of het geld goed besteed is geweest. Om tenslotte ook nog driemaal het betaling- of terugvorderingscircuit te doorlopen. En dan hebben we het nog niet over de operationele kost en opportuniteitskost voor de organisatie die zich ten aanzien van al deze overheidsorganen telkens zal moeten verantwoorden: driemaal een subsidieaanvraag, driemaal tussentijdse rapporteringen, driemaal opvolgen, driemaal een finale verantwoording. En hopelijk is er voor de gesubsidieerde niet driemaal een verschillende subsidieregeling of verantwoordingswijze.
De vraag kan gesteld worden in hoeverre men de afspraken met betrekking tot “een efficiënte en effectieve overheid”, waaran in het regeerakkoord een volledig hoofdstuk werd besteed, voldoende heeft doorvertaald naar de diverse beleidsnota's.
Opvallend is dat dit wel uitdrukkelijk gebeurd in de beleidsnota economie. Naar het voorbeeld van het regeerakkoord wordt er een afzonderlijk hoofdstuk aan gewijd. Aandacht wordt daarbij gericht op:
- administratieve vereenvoudiging beperken tot kerntaken
- samenwerken op alle niveaus
- ondernemingsvriendelijke lokale besturen
- provincies
- resoc’s
- federale bestuursniveau
- Europese Unie
- internationaal
De oproep komt minder duidelijk aan bod in de beleidsnota sociale economie. Zowel vanuit het Vlaamse als vanuit het federale niveau zijn er organen die initiatieven op dat domein financieel ondersteunen. De terreinafbakening kan daar in elk geval een stuk beter. Het is immers geen fictie dat eenzelfde project zowel steun vanuit de Vlaamse als vanuit de federale overheid onttrekt. Met alle risico’s (oversubsidiëring, dubbele financiering, …) vandien.
In de beleidsnota wordt in punt 5.3.3. slechts kort verwezen naar het (aflopen van) het huidige samenwerkingsakkoord met de federale overheid en de wens om de toekomst van dat akkoord verduidelijken en de dialoog met betrekking tot de afstemming van Vlaamse en
federale tewerkstellingsmaatregelen verder te zetten. Welke kant men als Vlaamse overheid op wil is niet echt duidelijk. Het is een gemiste kans dat de beleidsnota daar niet meer aandacht aan schenkt.
De beleidsnota heeft het ook over klaverbladen, klaverbladdenken en klaverbladfinanciering. Klaverbladdenken gaat er blijkbaar vanuit dat de "verschillende betrokken overheden bijdragen in de kosten en delen in de baten" (blz. 29 van de nota). De vraag kan gesteld worden in hoeverre deze filosofie niet ingaat tegen het in het regeerakkoord beoogde efficiëntiedenken. De term is niet helemaal nieuw. Naar aanleiding van een hoorzitting in november 2006 bij de behandeling van het ontwerp van decreet betreffende de lokale diensteneconomie plaatste Jan Peumans een aantal vragen bij dit mechanisme: “(…) De Koepel van Buurt- en Nabijheidsdiensten heeft in maart van dit jaar op een hoorzitting gezegd dat de financiering van buurt- en nabijheiddiensten een onontwarbaar kluwen is. Wie zal de regie daarvan op zich nemen? Hoe werkt het klaverbladmodel in de realiteit eigenlijk? Gemeenten die de regierol op zich nemen, moeten een medewerker in dienst nemen die zich alleen bezighoudt met het verzamelen van subsidies. (…)”. Hopelijk leidt die klaverbladsubsidiëring in de periode 2009-2014 niet tot eenzelfde onontwarbaar kluwen en administratief werk met weinig toegevoegde waarde.
November is traditioneel de maand waarin de beleidsvoorstellen van de ministers in de commissies besproken worden. Kort na een nieuwe regeringsvorming is dat het beleid voor de komende vijf jaar en dus dubbel interessant.
zaterdag 11 juli 2009
Het Vlaams regeerakkoord 2009-2014
Ik vind het vooral positief dat er meer “managementdenken” in het economisch overheidsbeleid sluipt. Vlaanderen leert zijn sterktes en zwaktes kennen en focust zich voortaan op groeibedrijven (de Gazellensprong), (eco-)innovatie, speerpuntsectoren,… en dat op een duurzame manier (energie-efficiëntie, cradle-to-cradle), …
Ook de oprichting van een Vlaams Energiebedrijf springt in het oog.
De aandacht voor financiering met de verruimde toegang tot risicokapitaal mag ook vermeld worden: er is de uitbreiding van de win-winlening en het XL-fonds, de oprichting van een tweede ARKimedes-fonds en er is ook sprake van een Groen Investerngsfonds. Mogelijks komt er ook een verruiming van de waarborgregeling naar overbruggingskredieten.
Positief is ook dat er structureel werk wordt gemaakt van een ruimtelijke economisch beleid (een kaderdecreet ruimtelijke economie wordt in het vooruitzicht gesteld) en men - onder meer via onderwijs (Actieplan Ondernemend Onderwijs en Opleiding) - het ondernemerschap in een positief daglicht wil stellen. Ook het sociaal vangnet voor zelfstandigen wil men optimaliseren (met Herplaatsingsfonds als instrument).
Nu nog zien of we het kunnen betalen (lees: of we kunnen besparen). Of zoals SP.A-onderhandelaar Frank Vandenbroucke het in het journaal van vrijdagavond zeven uur zei : “De vraag is: zullen er voldoende centen zijn ? Dat wordt heel moeilijk. Deze regering zal zwaar moeten besparen, maar ik denk dat de teksten goed zijn“.
De toon is meteen gezet: ook al levert de een selectievere jobkorting meer dan 1 miljard euro op, dan nog zal men flink mogen snoeien.
Volgende passage uit “kader 5” van het regeerakkoord laat evenwel het beste verhopen “We besparen minimaal op investeringen maar voeren een beleid gericht op efficiëntiewinsten”. Of iets daarvoor: “De overheden moeten transparante verantwoording afleggen over wat zij doen met het belastinggeld” en “We bouwen ook toetsingsinstrumenten uit met het oog op een meer efficiënte en effectieve aanpak van de subsidieregelingen”. Ook al is het misschien maar symbolisch, het is in elk geval een positief signaal dat de regeringsploeg met 9 ministers aan de slag gaat in plaats van met de toegelaten 11.
Nu nog dat programma tijdig en degelijk uitvoeren en onze opgewaardeerde sterke punten vertalen in een “Unique Selling Proposition” zodat we ondernemers en investeerders kunnen overtuigen dat het meer dan de moeite loont om in Vlaanderen te investeren.
Interessante links:
Het regeerakkoord in een powerpointpresentatie
woensdag 8 juli 2009
Keynes in Vlaanderen
De naam van Keynes wordt vaak als synoniem gebruikt voor “onverantwoord uitgeven van belastinggeld”. Terwijl Keynes dat niet zo bedoelde. Zoals ik reeds in mijn blogpost van 14 maart 2009 aangaf wordt bij die kritiek dikwijls vergeten dat Keynes een "deficit spending"-politiek voorstond als onderdeel van een "anticyclisch begrotingsbeleid".
Jammergenoeg is de praktijk vaak zo dat beleidsmakers zich in slechte tijden beroepen op Keynes (en meer uitgeven dan er inkomsten zijn), maar Keynes vergeten als het dan weer goed gaat (en er werk moet gemaakt worden van een begrotingsoverschot). Laten we dan Keynes niet onder vuur nemen, maar wel de beleidsmakers ter verantwoording roepen.
Soms wordt in de ganse discussie Schumpeter als antipode van Keynes opgevoerd, terwijl de “creatieve destructie”-gedachte van eerstegenoemde m.i. perfect combineerbaar is met Keynes’ begrotingsbeleid: meer overheidsgeld voor innovatie, creativiteit, ecologie, aanmoedigen van het ondernemerschap, startende ondernemingen, …
Bart Haeck, journalist bij de Tijd, die het ontwerp van nieuw Vlaams regeerakkoord kon inkijken, stelt in zijn artikel dat de focus in dat ontwerp regeerakkoord meer “ligt op de toekomst van de economie (innovatie en ecologie) en niet op het verleden ervan”.
Wat daar precies moet onder verstaan worden is mij niet helemaal duidelijk. Laat men het “jaren tachtig”-syndroom (redden van oude industrieën, het trachten vullen van bodemloze putten,…) voortaan achterwege ?
Een reactie op dit artikel stelt het volgende: “Schulden maken om een crisis op te lossen die het gevolg is van ... overdreven schulden. Zoals Joshua Cooper Ramo schrijft in The Unthinkable http://www.hachettebookgroup.com/features/unthinkable/index.html: "The best ideas of our leaders seem to make our problems worse". Er is dringend een alternatief nodig, de vorming van een beweging van bewuste burgers die, langs een coup d'état mental, rechtstreeks het beleid sturen naar een evolutief model ...”. Alleszins een reactie om over na te denken en weer iets om te lezen.
Ik kijk met veel belangstelling uit naar het definitieve regeerakkoord. Maar nog veel meer naar het in de praktijk brengen van dat beleid.
The proof of the pudding is in the eating.
donderdag 4 juni 2009
Verkiezingsprogramma's
Gelukkig is er internet die ons helpt bij onze queeste naar de inhoud.
Belg. Alliantie
Vlaams programma
CAP
Geen afzonderlijk programma voor Vlaanderen en Europa gevonden, maar wel een programmaoverzicht met links op deze pagina
en aandacht voor Europa op deze pagina
CD&V
Vlaams programma van CD&V
Europees programma van CD&V
Groen!
Vlaams progamma van Groen!
Europees programma van Groen!
Lijst Dedecker
Vlaams programma van LDD
Europees programma van LDD
LSP
Vlaams programma van LSP
Europees programma van LSP
N-VA
Vlaams programma van N-VA
Europees programma van N-VA
Open VLD
Vlaams programma van Open VLD
Geen specifiek Europees programma gevonden
PVDA+
Vlaams programma van PVDA+
Europees programma van PVDA+
S-LP
Vlaams programma van S-LP
Europees programma van S-LP
SP.A
Vlaams programma van SP.A
Europees programma van SP.A
U.F.
Geen programma gevonden, wel info op deze pagina
Vlaams Belang
Vlaams programma van Vlaams Belang
Europees programma van Vlaams Belang
Vrijheid
Weinig informatie te vinden op het internet.
Na googl’en op de naam van de lijsttrekker kom ik op deze pagina en dit artikel terecht.
Een leuke link is deze waarbij De Standaard de programma’s door een zogenaamde “Word Cloud Generator” gedraaid heeft.
maandag 1 juni 2009
Het groot debat
De hoop was gewettigd. In bepaalde (late) programma’s zoals Phara is immers een positieve tendens te merken. De praatgasten kunnen op een rustige manier hun ideeën duidelijk naar voor brengen. Zo onder meer over de manier waarop journalisten het maatschappelijk debat sturen, zoals door professor Luc Huyse in de uitzending van 28 mei jongstleden (zie fragment na 30’10”). Hij is er van overtuigd dat er wel degelijk inhoud kan gebracht worden en dat, hoewel partijprogramma's soms op mekaar lijken, er toch wel degelijk inhoudelijke verschillen in terug te vinden zijn. “Maar om zoiets ter sprake te brengen in een debat of in een interview heb je meer dan 25 seconden nodig. Je kan geen afgeronde redeneringen meer brengen, je kan geen nuances meer brengen, en dat is de rijkdom van het politieke debat” bracht professor Huyse aan.
De nieuwsploeg van de VRT stelt dat ze de ambitie heeft om aandacht te schenken aan de inhoud en slaagt er soms in om het sensatie- of showelement achterwege te laten. Toch bezwijkt ze nog al te vaak aan de verleiding van het steekvlameffect. Dat effect is verzekerd als men De Gucht tegenover De Decker opstelt of als men bij politici uitspraken kan ontlokken over hun ambities qua postjes en mogelijke coalitievorming (lang voor de stem van de kiezer gehoord is). Terwijl het toch om verkiezingen voor een parlement, de keuze voor vertegenwoordigers van het volk gaat. En is het dan niet de taak van een publieke omroep te focussen op de inhoud van de verschillende programma’s ? Zodat ze de kloof tussen burger en politici kan dichten ?
Jammer genoeg was ook deze keer op dat vlak een duidelijk manco aanwezig. Sommige politici waren gedreven om voor een meer inhoudelijke inbreng te zorgen, maar kregen er niet voldoende kans toe. Het debat tussen Geert Lambert en Frank Vandenbroucke was daar illustratief voor. Het standpunt van laatstgenoemde kwam duidelijk meer aan bod, onder meer omdat Geert Lambert eerst een fout van de interviewer moest rechtzetten. Schrijnend werd het pas toen Geert Lambert een poging ondernam om “flexicurity” (of flex security: flexibele sociale zekerheid) te duiden. Hij kreeg daar enkele seconden voor. Toen hij de link wou maken naar het Deens model werd hij prompt de mond gesnoerd. Waarom is me niet helemaal duidelijk. Teveel inhoud misschien ?
Qua inhoud bleef ik een beetje op mijn honger zitten. Gelukkig bleef het moddergooien, zoals we dat in de laatste weken meermaals mochten meemaken, achterwege. Wat veeleer een verdienste van de politici was. Deze wisten zich meestal goed te redden uit de valstrikken die de interviewers op dat vlak hadden gespannen.
Naast de wens voor meer politiek fatsoen mag dan ook even stil worden gestaan bij journalistiek fatsoen. Dé reactie van de avond kwam van Bart De Wever die Siegfried Bracke op zijn plaats kon zetten toen die polste naar zijn coalitievoorkeur: “Ik vind dat erg. Men spreekt over fatsoen. Ik vind het onfatsoenlijk om voor de verkiezingen over coalities te spreken” (zie fragment bij 87’27”).
Interessante artikels over het debat van gisteren:
Artikel weblog Michel Vuijlsteke
Artikel Knack
Artikel weblog Steven Verschoot
zaterdag 2 mei 2009
Josse De Pauw - De versie Claus

Acteur Josse De Pauw vertolkte de rol van Hugo Claus waarin deze terugblikt op zijn leven. Dit vanuit het perspectief van de vele interviews die deze laatste tijdens zijn leven gegeven heeft. Deze theatermonoloog was doorspekt met simpele maar diepzinnige zinnetjes uit de mond van de schrijver. Veel thema’s kwamen – onuitgesproken - aan bod. Zo was er onder meer de manier waarop sommige media hun geïnterviewden gebruiken (misbruiken) om te scoren en met dat doel voor ogen de waarheid manipuleren en/of de essentie verdringen. Het theaterstuk begint trouwens met de jonge dichter die vroeger “ooit de glorie van mijn stafrijmen zong en sindsdien – o familiarity! – geregeld in de krant aan mijn enkels heeft geknabbeld”. En verder - over diezelfde dichter -: “Dat hij me in de krant op de korrel heeft genomen, zegt hij, het is bitter, het is zuur maar dat wou zijn Chef Cultuur”. Dat Claus' bijzondere levensstijl vaak meer in de kijker stond dan zijn literaire werk, werd typerend samengevat in twee zinnen, met name toen hij de interviewer naar buiten leidt: “Buiten wijs ik met mijn vinger naar de maan. Hij blijft kijken naar mijn vinger”.
Josse De Pauw stond er. Ik kan me dan ook helemaal vinden in de recensie die Karlien van Hoonacker over dit stuk schreef: “Josse De Pauw brengt de monoloog met overtuiging. Hij staat er, als mondaine, zelfbewuste schrijver die geïnterviewd wordt. Toch probeert hij op geen enkel moment Claus "na te spelen". Zijn stembuigingen zijn niet die van Claus. De monkel in z’n stem is niet die van Claus. Zijn bewegingen zijn niet die van Claus”.
In een artikel in de Gazet van Antwerpen schreef Evita Bonné: “Hoe goed de tekst ook is, de enige bedenking die te maken valt, en de vraag die De Pauw zichzelf ook heeft gesteld, is of mensen die ver van Claus stonden er wat aan over houden”. Ik kan beiden geruststellen.
Een interessant artikel over Josse De Pauw is dat over zijn relatie met Brussel en Asse (hij woonde er in de Stationstraat).